Zeeglas

Ik vind op het strand aangespoeld glas dat gepolijst is door de verwering van de zee. Oude scherven waar de scherpe randjes van zijn afgevijld: zeeglas.
Alles komt altijd weer terug, maar dan anders. Ik luister naar de woorden in mijn hoofd, naar de meeuwen in de lucht. Ik heb tranen in mijn ogen, maar dat komt door de harde wind.
Ik heb dit jaar drie oude vrienden verloren aan de dood. Hun lichamen waren versleten. Debora en Maria zijn gecremeerd en Peter is begraven.
Hoe kan ik trouw zijn aan handen die mij niet meer vasthouden, aan lichamen die ik niet meer warm tegen me aan kan drukken?
Hoe kan ik in hemelsnaam trouw zijn aan as en botten? We zijn onzichtbaar licht. Geofferd op het altaar van de tijd. Gefolterd door de onvermijdelijke pijn.

Ik weet dat het nu lastig is om goed te zien. Ik moet kijken met andere ogen. Alle kleuren zijn verdwenen in de grond.
Ik doe het even rustig aan, ik laat dit moment zo langzaam mogelijk door mijn vingers glijden. Op het strand van de tijd ben ik een zandloper.
Ik denk aan de vluchtelingen die zoveel moeten achterlaten. Aan de landen van ontvangst die oude zekerheden moeten laten varen. Hoe alles kantelt en beweegt.
Er zijn zoveel dingen die ik nooit zal weten. Maar ik weet wat ik wil, ik wil het volle leven binnen laten. Het komt eraan: laat gaan, laat gaan.
Ik open mijn hart en de wilde wind blaast er doorheen. Ik kan de stilte horen. Ik wil weten en ik weet dat ik niets weet. Ik wil voelen en ik voel dat ik alles ben.

Ik vind weer een stukje zeeglas, een diepblauwe kleur die ik nog niet eerder zag. Iets heel moois raakt me in de schittering.
Is er leven achter de hemel? Maakt het uit of ik stil sta, of ik loop of vlieg? Of is het genoeg om gewoon te zijn wie ik nu ben?
Ik voel me stabiel vormloos. Ik voel een immense kracht, hoe machteloos ik me ook voel als mens. Ik weet dat het echt is en onveranderlijk.
Soms ben je scherp als een kapot gevallen fles, soms ben je gepolijst als zeeglas. Soms walg je van jezelf, soms hou je van jezelf. Soms ben je geboren, soms ben je gestorven.
Ik kijk naar de zee, met open ogen, zoals een geliefde dat doet. En de golven en de meeuwen kijken liefdevol terug. Ja, de zon, de hemel en ik, we zien elkaar, zoals geliefden dat doen.

Advertenties

Een hete dag

Ik zit met iemand te praten. Op een bank. Het is bloedheet, 

dus het gaat over de oorlog. 

-“Je voelt aan de lucht dat ie er aan komt. De Derde Wereldoorlog.”
Ik voel niks, maar voor het gemak knik ik.
-“Jij voelt het dus ook.”
Nu zit ik er aan vast. Terugtrekken is geen optie. Teveel omhaal van woorden. Het is tenslotte warm weer. Dan hou je je vanzelf wel koest.
Ik besluit de oorlog links te laten liggen. Er het zwijgen toe te doen. Dat helpt.

Even, maar dan niet meer. De man stoot me aan: “Kan het tij nog worden gekeerd?”

-“Ik denk het niet.”, zeg ik. Op de automatische piloot. Dat helpt. Hij kijkt tevreden. Een beetje blij zelfs. 
Alsof ie jarig is.
Ik begrijp dat wel. Een beetje somberheid op een zonnige dag doet een mens goed. Dan heb je verder niets meer nodig.
Verwachtingsvol zitten we samen op de bank. Klaar voor de oorlog. Laat maar komen. Het komt er toch wel van.
Er vliegt een ooievaar over ons heen. We besluiten allebei om er niets over te zeggen. We hebben tenslotte wel iets anders aan ons hoofd.
In de verte klinkt alvast een kerkklok. Twaalf slagen. Net was het nog elf uur.

-“Ik denk dat ik maar weer eens ga.”, zegt de man: “Ik heb nog een vrouwtje thuiszitten. En het is tijd voor haar stoelgang. Ze zit in een karretje, ziet u. En ze kan niet zelf naar de W.C..”
-“Fijn dat u haar daarbij helpt.”, meen ik.
-“Ach, ik raak het weleens zat. Aardig zat moet ik zeggen. En dan denk ik aan de Derde Wereldoorlog.”
-“Ik hoop voor u dat ie snel komt.”
Hij knikt. Ik weet niet of dat voor het gemak is. De hitte speelt ook hem parten. 

Zuchtend en steunend werkt hij zijn stramme lijf omhoog. Het mag een wonder heten dat hij zich nog los van de bank weet te schroeven. 
Vermoeid sloft hij het pad af. Hij kijkt niet om. Achter iedere voetstap waait een wolkje stof omhoog.

Buurman Henk (1)

Mijn buurman heeft diepe groeven in zijn droevige gezicht. Hij waarschuwt me voor een al te rooskleurige kijk op het leven: “Nu voel je overal de liefde, maar wat als je vriendin bij je weggaat?”
-“Ik zie dat nog niet gebeuren, maar als het gebeurt zal ik hartverscheurend verdrietig zijn.”
-“Waar blijft die liefde dan?”
-“Die liefde is dat ik heel verdrietig mag zijn, dat ik geen enkele ervaring hoef af te wijzen.”
-“Geef mijn portie dan maar aan Fikkie.”
Ik voel dat hij zijn verdriet heeft opgepot. De klank van zijn stem blijft ergens steken in zijn onderkaak. De mussen tsjilpen, maar ik zie dat hij het niet hoort.

-“Voor je het weet ben je de hele dag in oorlog met je gevoelens, met je gedachten en met de boze buitenwereld.”, zeg ik.
-“Ik moet mezelf toch beschermen tegen angst, tegen pijn, tegen verdriet, tegen alles wat verkeerd is!”
-“Je hebt een pantser opgebouwd, maar dat pantser beschermt je niet, het geeft je alleen maar meer beklemming.”
-“Dat is ook weer zo.”, geeft hij toe: “Maar ja, wat moet ik dan?”
-“Alles heeft met alles te maken. Je kunt leven uit angst, maar dat geeft je niets. Je kunt leven uit liefde en dat geeft je alles.”
-“Ja, noem dat maar alles.”, moppert hij: “Ik vind het maar een hoop ellende.”

-“Ergens ben jij vergeten dat je het leven zelf bent, Henk, de volheid van het leven met al zijn kleuren en tintelingen, van licht tot donker, van warm tot koud!”
-“Sinds Mieke dood is hoeft het voor mij niet meer.”
-“Zelfs als alles in elkaar dondert en al je dromen verpulveren, dan nog ben je het leven zelf.”
Het lichaam van Henk begint te schudden. Er klinken hoge geluiden uit zijn keel. Ik laat hem begaan. Het licht komt binnen door de barsten in zijn oude zelfbeeld.
Met zijn mouw veegt hij de tranen van zijn gezicht: “Godsamme, weet je dat ik al in jaren geen traan meer heb gelaten?”
-“Tranen schenken ons de oceaan, buurman.”, lach ik: “Het leven is niet je vijand, het leven is wie je bent.”
-“Het is gek, maar ik snap precies wat je bedoelt. Het doet pijn, maar diep van binnen is het fijn.”

Buurman Henk (2)

-“Wat was het ook alweer dat mij zo’n goed gevoel gaf, vorige week?”, vraagt buurman Henk.
-“Ik heb geen idee, jij?”
-“Ja, toch wel. Het begon met Mieke, mijn overleden vrouw. Denk jij dat ik haar nog terug zie in het hiernamaals?”
-“Welke vrouw wil je terug zien, Henk? De vrouw waar je in het begin verliefd op was? De moeder van je kinderen? De Mieke zoals ze er nu uit zou zien?”
-“Nou ja, gewoon zoals ik me haar herinner.”
-“Alles wat ze nu voor je is is een herinnering. Waarom kwel je jezelf met een herinnering aan het verleden?”  

-“Ja, als je het zo bekijkt.” 
-“Neem me niet kwalijk, Henk, maar het verleden is niet meer wat het is geweest.” 
Henk slaat me op mijn schouder: “Nou weet ik het weer!” 
-“Wat weet je?” 
-“Wil jij dat echt weten dan?” 
-“Zeker, ik steek graag iets van je op.” 
Henk graait een pakje sigaretten uit zijn jaszak en biedt het me aan. Ik pak er een sigaret uit, maar ik steek hem niet op, ik steek hem in mijn zak. Ik kan er altijd nog een suïcidale vriend een plezier mee doen. 
-“O, je bedoelt het anders!” 
-“Zeg me wat je weet, ik hoor het graag van je.”
-“Ik ben van nature gelukkig, alleen vergeet ik het als ik zit te piekeren.” 
 
-“Daarom is het zo goed om te lachen en te huilen en te zingen. Om gewoon mens te zijn!” 
-“Ik heb veel gehuild de afgelopen week, ook gelachen trouwens. Alles kwam los.” 
-“Lekker.” 
-“Het is het water dat het doet, man! Ik denk dat ik helemaal van water ben.” 
-“Dat is mooi.” 
-“Ik voel me als een druppel in de oceaan.” 
-“En de golven dansen.” 
-“Ja, het gaat natuurlijk niet om vroeger.”, zucht Henk: “En het gaat al helemaal niet om het hiernamaals.” 
-“Waar gaat het dan om?” 
-“Hoor je die mussen tsjilpen?” 
-“Ja.” 
-“Daar gaat het om, Dick. Ik voel me nu thuis en dat is alles wat telt!”

Buurman Henk (3)

-“Helaas, er ligt weer een helse dag voor me.”, bromt buurman Henk.
-“Wat zit je dwars, buur?”
-“Ik voel me net een pingpong-balletje.”
Hij grijpt mijn handen vast en knijpt er stevig in: “Ik ben ’t weer helemaal kwijt, hoor.”
Ik knijp flink terug: “Wat ben je kwijt?”
-“De kluts.”
-“Oh, de kluts. Hoe voelt dat?”
-“Wat ik zeg, ik voel me net een pingpong-bal. Het leven mept me de godganse dag heen en weer. Links, rechts, op en neer. Pets! Ping! Pats! Pong!”
-“Dat houdt de beweging er wel lekker in.”
-“Ja, lach maar!”

-“Je bent niet alleen het pingpong-balletje, Henk.”
-“Wat ben ik dan nog meer?”
-“Je bent ook de ruimte waarin het pingpong-balletje heen en weer wordt getikt.”
-“Wat schiet ik daar nou mee op?”
-“Het geeft je misschien een beetje ruimte.”
-“En dan?”
-“De ruimte zelf wordt niet heen en weer gemept.”
-“O ja, natuurlijk.”, buurman Henk drukt zijn peuk uit in de volle asbak: “Ik zit weer eens vast in m’n ouwe verhaal.”
-“En dat is?”
-“Zielig zijn, terwijl het geestig is.”
-“En nu?”
-“Ja, nu denk ik aan wat Mieke zei, vlak voordat ze het loodje legde.”

-“Wat zei ze?”
-“Maak je nergens druk om, Henk, want het is allemaal onzin!”
-“Alles?”
-“Ja, alles waar je ooit aan hebt getild verdwijnt vanzelf. Er blijft helemaal niks van over. Het is allemaal gebakken lucht.”
-“Klaar ben je.”
-“Leef zonder zorgen, want er is niks aan de hand!“, hij haalt zijn schouders op: “Dat is wat ze zei, dat drukte ze me op het hart.”
-“Mooi, als het gordijn valt, gaan je ogen open.”
-“Nou, ik begin er vandaag al mee, hoor.”
-“Met het bloemetjesgordijn?”

Buurman Henk steekt een nieuwe peuk op: “Nee Dick, met de bloemetjes buiten zetten. Wat is het toch simpel!”
-“Zo simpel als een pingpong-balletje?”
-“Zo simpel als de ruimte zelf.”, lacht Henk: “Gelukkig, er ligt weer een nieuwe dag voor me open!”

-“Waarom rook jij eigenlijk?”
-“Dat doe ik niet.”
-“Ik zie het toch, Henk!”
-“Ik rook niet, Dick, de sigaret rookt.”

Positief denken

Ik heb een ongelooflijk blije buurvrouw. Fleur heet ze. Best wel een vrolijke naam. Telkens als ik haar tegenkom vertelt ze me hoe gelukkig ze is.
-“Heerlijk die regen. Zo goed voor de plantjes.”
Natuurlijk wil ik haar niet afvallen. Ik ben niet graag een zeiksnor in het zicht van haar charmante verschijning.
-“We moeten het er maar mee doen.”, brom ik, want echt lekker vind ik het niet.
-“Nou buurman, het is niet moeten maar mogen.”
-“Je hebt gelijk, ik mag niet klagen.”
Fleur corrigeert me regelmatig. Ze is streng in de leer. Positief denken, daar draait het om.

Min ombuigen naar plus. Dat is de nieuwe trend. Je leest het ook op Facebook: “Als wij vanaf nu alleen maar positieve gedachten denken, dan is er over tien jaar geen oorlog meer.”
Ja, wie ben ik dan nog om achter te blijven? Ik bedoel, ik wil geen oorlog op mijn geweten hebben, alleen maar omdat ik uit pure luxe een beetje heb zitten somberen!​
Dus ik ben gestopt met mijn negatieve gedachten. Ik heb ze er gewoon uitgegooid. En vervangen door lieve zoete roze gedachten met een chocoladerandje.
Ik ben van gepieker naar piekervaring gegaan. En dat bevalt goed. Ik kan niet anders zeggen, want anders val ik weer terug in mijn oude patroon.

Natuurlijk is Fleur de eerste die ik op de hoogte stel van mijn bekering: “Fijn al die poepende honden hier. Krijgt het gras ook nog eens mest.”
Ter aanmoediging krijg ik een lief kusje op mijn wang. Ik voel ieder spoortje van de indruk van haar lippen. Dat zachte kusje blijft nog heel lang zitten. Het maakt dat ik nog beter mijn best ga doen. Nog een schepje er bovenop. Dat kan best wel. Schouders eronder en hupsakee!
-“Prima, dat al die bomen zijn weggehaald. Kunnen de buren eindelijk eens zien wat ik allemaal uitspook.”
Fleur blij. Ik blij. Nu hoor ik er echt bij. Ik mag zelfs bij Fleur op theevisite komen. Zo’n fijn aanbod sla ik niet af. Fris gedoucht, goed geschoren en met een glimlach van oor tot oor sta ik voor haar deur.

Als ze opent komt de fris-groene geur van vers geplukte lelietjes-van-dalen me tegemoet: “Welkom, lieve lieve schat!”
Op de spiegel in haar gang hangt een briefje met de tekst: “Echt, je bent de moeite waard!”
Binnen drinken we thee en we zien het leven onverbiddelijk zonnig tegemoet.
-“Heb je de prachtige aanbiedingen van de natuurwinkel al gezien?”
-“Ja, de honing is tien procent goedkoper deze week.”
-“Geweldig hè. Hoe al die bijtjes dat voor ons uit de bloemen halen!”
-“Misschien willen die bijen wel helemaal niet dat we de honing van ze afpakken.”, denk ik, als ik me even heb teruggetrokken op haar plee.
Hier op dit onbespiede plekje moet ik het aan mezelf toegeven: “Ik heb mijn gedachteleven nog niet helemaal onder controle.”
Op het porseleinen schoteltje met rozenblaadjes, naast haar doosje met tampons, ligt een gouden kaartje. Het zegt: “Ik ben een prachtmens!”

Ineens weet ik het niet zo zeker meer. Ik word bestormd door realistische overpeinzingen. Als Jezus aan het kruis had gedacht: “Ik hang hier eigenlijk best wel lekker.”, zou hij dan minder pijn hebben gehad?
Ik moet denken aan de met viltstift gekraste tekst, die ik las tussen de graffiti op de W.C.-deur van mijn kroeg: “Here I sit and hesitate: shall I shit or masturbate?”
Oef! De censuur is weg. Best wel gevaarlijk. Zeker hier. Bij Fleur. Ik houd me dus maar koest na het doortrekken.
Samen prijzen we nog even de buurt (vol grijs beton), de best wel grappige reclames op TV (niet om aan te kijken), de mooie auto’s voor de deur (heel irritant) en de grote voordelen van de opwarming van de aarde (alles gaat naar de klote).
Na het laatste slokje thee word ik positief uitgewuifd. Op de achterkant van haar voordeur staat in mierzoete letters: “Echt, je kunt het wel!”

Fleur heeft me wel weer op een idee gebracht. Dat moet ik haar nageven. Thuis ga ik onmiddellijk aan de slag.
Op de ronde spiegel boven mijn doorgezakte bank plak ik een briefje. Met de tekst: “Ik ben een lul!”
Kijk, daar knap ik nou van op. Als ik in de spiegel kijk, zie ik een vriend. Hoe dieper ik kijk, hoe completer ik lijk. Schaduwrijk en lichtrijk vloeien in mij samen.
Voor ik de deur uitga, schrijf ik met een vette stift aan de binnenkant: “Echt, het wordt nooit wat!”
Dat geeft rust.
Het is wat het is. ​Het is al goed. Het kan niet beter. En dat de zon nu lekker warm schijnt, ja, daar doe ik het maar mee!

Boswandeling

Ik sta voor een kruising in het bos van Bilthoven. Er staat geen richtingaanwijzer bij. Dat vind ik sympathiek. In het bos wil je geen menselijke tekens zien.
Je wilt gewoon dwalen en verdwalen, zonder te weten waar je heengaat. Maar goed, het bos wordt koud en donker.
Linksaf of rechtsaf, dat is nu de keus.
Een keus is niets voor mij. Als ik kies sta ik al​tijd in de langzaamste rij voor de kassa. Gelukkig heb ik dan wel weer de tegenwoordigheid van geest om mijn aandacht te geven aan niets.
Niets.
In het niets is er ruimte voor alles. Je vindt er geen eind of begin aan. Je hoeft er niemand voor te zijn. Niemand is vrij, een koud kunstje.

Of ik kijk naar de mooie handen van het kassameisje. Hoe ze een voor een de spullen vastpakt, voor de scan houdt en weer loslaat. Zo gaat je leven aan je voorbij.
-“Wat heb je met je leven gedaan?”, vraagt Petrus aan de hemelpoort.
-“​Ik heb​ geduldig in de rij gestaan en mijn ogen uitgekeken.”
-“Is dat je bijdrage aan de mensheid geweest?”
-“Ja, ik denk het wel.”
-“Loop dan maar naar de hel.”
-“Linksaf of rechtsaf?”
-“Je mag zelf kiezen.”

Zo word je het bos weer ingestuurd. Een vleermuis zoeft in wilde zigzag langs mijn linkeroor​, w​aar net nog een mug zoemde.
Fluitend, met ​mijn handen in mijn zakken, sla ik linksaf. In het duister zie ik door de bomen het bos niet meer.
Een paar vogels zingen zo ijl en hoog dat ik niet zeker weet of het een piep in mijn hoofd is of iets wat zich echt in het bos afspeelt.
Bij het krieken van de dag kom ik aan op station Baarn. Op het houten bankje voor de ingang leest niemand een krant. De trein heeft geen vertraging.